©

 

Kluizen

 

De exacte geografische ligging van Kluizen is 51‹09ŒNB 3‹43ŒOL.

 

Tijdens de periode, gekend als de Hoge middeleeuwen, was er een grote ontginningsbeweging merkbaar, voornamelijk rond Gent en Ieper. Vooral gedurende de 12de eeuw maakte men werk van systematische ontginningen en ontstonden de grafelijke ontginningsdorpen. Kluizen was er zo een.

 

Het wordt aanzien als een zeer vroege opzettelijke ontginningsstichting, opgericht op initiatief van graaf Boudewijn VII, bijgenaamd Hapkin. De enige bron, een oorkonde van Diederik van de Elzas, heel bekend in Assenede, dateert uit 1140 en herneemt de originele akte van Boudewijn VII. Deze originele akte moet tussen 1115 en 1119 gedateerd worden. Gezien de ijver waarmee Boudewijn VII ten strijde trok in Normandië vanaf 1117, durf ik vermoeden dat de schenking eerder rond 1115 of 1116 gebeurde. Hij werd opgevolgd door zijn neef, de legendarische Karel van Denemarken beter bekend als Karel de Goede.

 

Boudewijn VII schonk de Sint-Salvatorabdij van Ename een "eenzaam en woest stuk grond, gelegen tussen de Rietvoorde en de Langebeke, om er een kerk en een woning voor monniken te bouwen." Het geschonken gebied was 196 gemeten (87 ha.) groot en werd in het Westen begrensd door de Biervlietse Gentweg, een heirweg, en de Schipgracht.

Eigenlijk lag Kluizen op de splitsing van twee wegen die toch wel enig economisch belang konden betekenen: de Biervlietse Gentweg was de verbindingsweg tussen Gent en de zee, aan de andere kant had Gent, via Kluizen, een verbinding naar Eeklo.

Daarnaast voorzag hij ook nog in twaalf huizen of hofsteden om er de kolonisten te huisvesten die ter beschikking stonden van de monniken en hen moesten beschermen tegen de schurken die de streek teisterden. In ruil hiervoor werden de bewoners van de twaalf hofsteden vrijgesteld van de heervaart en gelijk welke andere dienst en ook van alle soorten vorderingen in opdracht van de ontvangers van het grafelijke domein. Bovendien waren alle bewoners niet langer ondergeschikt aan de justitie behalve in drie welmoschreven gevallen.

 

 

Zicht op het nog landelijke deel van Ename - bij mijn weten een naamloze waterloop die ik graag het Polflietvaardeken noem ©

 

Het duurde wel nog even vooraleer de monniken werk maakten van de ontginning van Kluizen. Vermoedelijk wachtten de monniken op een zegen van religieuze oversten. Die komt er op 20 mei 1122. Godebaldus, bisschop van Utrecht onder wiens diocees deze schenking ressorteerde, staat aan Gilbertus, abt van Ename toe, dat er een kapel gebouwd wordt ter ere van Onze Lieve Vrouw. Hij voegt er zelfs aan toe dat bij een stijgend aantal inwoners er ook voor een pastorie dient gezorgd te worden. Paus Eugenius III bevestigt in 1148 de abdij in haar rechten onder andere ook binnen de parochie Langebeke. Dit wordt opnieuw bevestigd in 1182 door paus Lucius III en in 1246 door paus Innocentius IV.

Ook de graven van Vlaanderen zorgen voor enkele hernieuwingen van de toelating. In de oorkonde van Diederik van de Elzas, neef van Karel de Goede, wordt verwezen naar een akte van zijn neef, waarvan echter voor de rest niks bekend is. Naast deze oorkonde van Diederik van de Elzas uit 1140 bestaat er nog één uit datzelfde jaar, die aan de "hospites" van de abdij van Ename de toelating gaf in Kluizen, toen nog “Langabeca” geheten, te blijven of te gaan wonen. Wellicht werd de akte van Boudewijn VII hernomen om de privileges van deze gasten, die zich daar blijkbaar al gevestigd hebben, te bevestigen, eerder dan om opnieuw de toelating te geven om er een priorij te bouwen

 

Naast de bouw van de kapel ter ere van Onze Lieve Vrouw richtte men vlak naast de kerk het uitbatingscentrum "Hof ter Cluysen" op, gelegen aan de Enaamse 2. De eerste stap in de ecomomische ontwikkeling van Kluizen, wat later gevolgd door de Heerljkheid de Twaalf Hofsteden. De twaalf hofsteden lagen in een rijligging langsheen de Langebeke wat wijst op een systematische, planmatige, aanleg van het dorp.

 

 

Schuur op het domein van het "Hof ter Cluysen" - afgebroken in 2010 ©

 

Het is goed om weten dat het eigenlijke dorp groter was dan het deel dat door de Benedictijnen ontgonnen werd. Een deel bleef in het bezit van de graaf, de Heerlijkheid Kluizen, en stond onder het bestuur van Assenede, één van de vier hoofdplaatsen van de Vier Ambachten. Druppelsgewijs werd er verder ontgonnen ten voordele van de abdijen van Ename, Loos, Doornzele en Bijloke.

 

Zo vulden gravin Johanna van Constantinopel en haar echtgenoot, Ferrand van Portugal, de ontginningskern in mei 1228 aan door twee nieuwe schenkingen aan de abdij: een eerste maal gaat het om 24 à 28 bunder woeste grond nabij de Lange Beek, een tweede maal om 28 bunder weiden nabij de plaatsen "Hov" en "Gaver". Gaver is vermoedelijk een verwijzing naar de Gavers, een gebied dat paalt aan het Molenvaardeke en Doornzele en zijn naam gaf aan het Gaverstraatje. In totaal ongeveer 750m². De grafelijke baljuw, Ivo van Anchein, wordt met de praktische uitvoering van deze laatste schenking belast. Op 21 mei 1228 krijgt hij de opdracht om voor een duidelijke afbakening van deze weidegronden te zorgen, opdat er geen enkele betwisting zou zijn. Op 19 juni 1228 verklaart hij dat deze schenking integraal aan de abdij overgedragen werd. Dit was meteen de laatste schenking aan de abdij van Ename.

Misschien kan deze schenking wel gezien worden als een blijk van dankbaarheid. Nadat Ferrand zich in 1212 tegen de Franse koning keerde, werd hij in 1214 door de Fransen gevangen genomen. Hij kwam pas in 1227 vrij.

Onder haar beleid werden veel abdijen en hospitalen gesticht. Zo onstond in 1234 ook de abdij van Doornzele, een Cisterciënzerklooster voor nonnen. De gebouwen bevonden zich in Doornzele, een groot gedeelte van het beluik in Kluizen. De abdij bezat op die manier 400 gemeten (178 ha.) met daarbij drie belangrijke pachtgoederen: het Goed te Nieuwenhove (later in twee hoeven gesplitst), het Goed ten Broeke en het Goed te Wittevelde. Het gebied waar deze hofsteden stonden werd steevast de Pachtgoederen genoemd,en bevond zich tussen het Zandeken en de Schipgracht. Verder schonk ze, dicht bij Rieme, 46 gemeten (103 ha.) grond aan de nonnen van de in 1215 opgerichte Cisterciënzerorde van de Bijlokeabdij.

 

Een vierde klooster was de abdij van Loos, een Cisterciënzerklooster voor monikken in de buurt van Rijsel. Filip Van de Elzas, hij gaf Vlaanderen zijn Vlaamse Leeuw, lag in 1146 aan de grondslag van het ontstaan van Loos. Hij bleef de orde steunen door in Kluizen ondermeer 3 schenkingen aan hen te doen. In 1172 oorkondt burggraaf Roegier van Gent en Kortrijk, dat graaf Filip van de Elzas, een weide genaamd "’s Burggravenweide", geschonken heeft aan de abdij. In 1175 volgt een nieuwe schenking door de graaf van 40 gemeten moer "iuxta villam Arthevelde", maar in feite gelegen in Kluizen aangezien deze moer begrensd wordt door het gebied van de burggraaf van Gent en door het domein van St-Baafs. Dankzij latere documenten kon het volledig gerekonstrueerd worden in de westelijke helft van Kluizen. In 1185 schenkt de graaf door bemiddeling van de burggraaf andermaal een hoeve met aangrenzende meersen. 

 

Opvallend is dat men, zeker tot in 1182, het dorp steevast Langebeke noemde. Kluizen werd pas later als officiële benaming gebruikt en is een verwijzing naar het woord kluis, het persoonlijke vertrek van een monnik. Het dorp lag aan de buitengrens van het Ambacht Assenede dat op zijn beurt deel uitmaakte van de Vier Ambachten (Axel, Assenede, Boekhoute en Hulst). In 1278 werd Kluizen in elk geval al in een oorkonde gebruikt. Vermoedelijk is er zelfs al sprake van "Clusa" in 1225.

 

Tegen het einde van de 13de eeuw was Kluizen vrijwel volledig ontgonnen.

 

Kluizen is doorsneden door tal van waterlopen. Bij de schenking verwees men naar Langebeke, Rietvoorde en Schipgracht. Wat de moderne namen van de waterlopen zijn die toen de grens van Kluizen uitmaakten ben ik, wat Rietvoorde betreft, nog niet zeker. Mogelijks is de Averijevaart van vandaag de Rietvoorde van toen. De Averijevaart is immers de Noordergrens van Kluizen en mondt in het Kanaal Gent-Terneuzen uit, ter hoogte van de hoogovens van Arcelor-Mittal. Wat de Langebeke betreft durf ik, na het raadplegen van tientallen bronnen, met grote zekerheid stellen dat dit vandaag het Molenvaardeke is en dat die toen nog uitmonde in de Kale (Durme). De Schipgracht veranderde achtereenvolgens in Sassevaart en het kanaal Gent-Terneuzen. Aangezien de achtereenvolgende verlengingen steeds gebeurden ten koste van de Kale mondt het Molenvaardeke nu uit in het kanaal Gent-Terneuzen, net voor het "containerkunstwerk" tegenover het Sifferdok. De Burggravenstroom werd pas in de 16de eeuw als naam gegeven voor het stuk Schipgracht dat tussen Langerbrugge en Boekhoute liep.

 

De aanwezigheid van tal van waterlopen en van nogal wat waterzieke gronden kan de aanleiding geweest zijn om de inwoners van Kluizen, al spottend, "Goortrekkers" te noemen.

 

Tot 1965 bleef Kluizen een zelfstandige gemeente in Oost-Vlaanderen. In 1927 zat Gent echter al te peuteren aan het grondgebied van Kluizen omwille van de havensituatie. Als gevolg van de havenuitbreiding van Gent werd Kluizen in 1965 gefusioneerd, deels met Gent en deels met Ertvelde. Jammer dat het gemeentebestuur van Kluizen toeliet dat Gent stap voor stap een deel van het grondgebied opslokte. Enerzijds is het logisch dat Gent alles onder één dak wou brengen, dit zorgt voor een efficiënter beheer. Anderzijds is het zo dat Kluizen hierdoor heel wat inkomsten zo maar uit handen gaf. In 1974 werd begonnen met de uitbouw van het Waterspaarbekken van Kluizen. Sinds 1 januari 1977 maakt Ertvelde, en dus ook Kluizen, deel uit van de gemeente Evergem. Evergem is, gelukkig maar, minder inschikkelijk naar Gent toe en heeft ervoor gezorgd dat wat bij Evergem hoorde ook bij Evergem bleef.

 

Als gevolg van de uitbreiding van de haven van Gent en het bouwen van het Kluizendok, netjes tussenin het Molenvaardeke en het Averijevaardeke, verdween in 2008 zo'n 600 ha voorgoed van de kaart waaronder de Pachtgoederen, waar mijn grootmoeder Valentina Claeys opgroeide, het Zandeken en het Hultjen. Door de ontwikkeling van het havengebied op de linkeroever van het kanaal Gent-Terneuzen wordt Kluizen héél sterk herleid. Ongeveer 70% van wat ooit Kluizen was wordt opgeslokt door de haven.

 

Al hoewel het Enaamse het oudste deel van Kluizen is bleef het jarenlang een weidegebied. Tot voor 2006 werd eigenlijk meer het "eiland" Pastoorshoek ontwikkeld. In 2006 komt daar verandering in naar aanleiding van een verkavelingsvergunning tussen de kerk en de Noordlaan. Langs de Oostzijde van de Noordlaan is nog niets veranderd en is er nog altijd maar één straatje dat... wat had je anders gedacht, Enaamse noemt.

 

        
©